DGUV-regel 112-191 voor veiligheidsschoenen
De DGUV-regel 112-191 (voorheen BGR 191) is een bindende richtlijn van de Duitse wettelijke ongevallenverzekering die het gebruik van voet- en kniebescherming op de werkplek regelt. Deze is vooral relevant voor personen die orthopedische aanpassingen aan veiligheidsschoenen nodig hebben, bijvoorbeeld vanwege inlegzolen, verhogingen of speciale steunzolen.
Eisen bij orthopedische aanpassingen
De regel bepaalt dat elke orthopedische wijziging aan veiligheidsschoenen alleen is toegestaan als de aangepaste schoen nog steeds voldoet aan de eisen van de norm EN ISO 20345. Deze norm definieert essentiële beschermende eigenschappen zoals penetratieweerstand, teenbescherming en slipweerstand. Orthopedische aanpassingen kunnen deze eigenschappen beïnvloeden – bijvoorbeeld als de afstand tot de veiligheidsneus door een inlegzool kleiner wordt. In dat geval kan de beschermende werking bij een impact aanzienlijk worden verminderd.
Als een aanpassing wordt uitgevoerd zonder de juiste keuring of certificering, verliest de veiligheidsschoen zijn goedkeuring als persoonlijke beschermingsmiddel (PBM). In geval van een arbeidsongeval aanvaardt de ongevallenverzekering dan geen aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van een ongeoorloofde wijziging.
Vooraf geteste oplossingen en gecertificeerde aanpassingen
Om complexe individuele keuringen te vermijden, werken fabrikanten zoals ELTEN samen met orthopedische specialisten en laten ze veelvoorkomende aanpassingen voor geselecteerde modellen vooraf certificeren. Deze aanpak maakt het mogelijk om ook bij individuele behoeften gecertificeerde veiligheidsschoenen te dragen zonder de beschermende werking in gevaar te brengen. De aanpassing gebeurt met inachtneming van alle wettelijke vereisten en wordt gedocumenteerd.
De DGUV-regel 112-191 zorgt er dus voor dat veiligheid en gezondheidsbescherming ook bij bijzondere orthopedische behoeften volledig gewaarborgd blijven.